
Hoe meer conflicten ik zie, hoe milder én directer ik word.
In mijn werk als mediator ontmoet ik mensen vaak op momenten waarop ze bepaald niet de beste versie van zichzelf laten zien. Mensen die boos zijn, zich afsluiten, anderen beschuldigen of zich vastbijten in hun eigen gelijk. En gedrag vertonen dat ze bij een ander waarschijnlijk zouden veroordelen.
En weet je wat ik merk? Hoe langer ik dit werk doe, hoe groter mijn tolerantie voor mensen wordt. Ik heb inmiddels zo vaak ervaren dat achter een eerste houding van weerstand, boosheid of afstandelijkheid een heel andere kant van iemand schuilgaat.
Soms is er maar één vraag nodig om die kant zichtbaar te maken. Soms vraagt het meer tijd, geduld en nieuwsgierigheid. Het blijft me fascineren.
Tegelijkertijd merk ik dat ik op een ander vlak juist minder tolerant ben geworden. Ik ben directer, stel vaker grenzen en voel steeds minder de behoefte om aan verwachtingen van anderen te voldoen. In dit artikel schrijf ik meer over deze twee ontwikkelingen en hoe ze zich vertalen naar mijn werk.
Gouden Boedha
Een tijd geleden vertelde iemand tijdens een bijeenkomst met zijn team een verhaal waar ik deze week weer aan moest denken. Binnen dat team speelde een conflict. De onderlinge verhoudingen waren behoorlijk verstoord en sommige teamleden konden nauwelijks nog iets positiefs in elkaar zien.

Deze man vertelde aan het einde van de bijeenkomst over een gouden Boeddha. Volgens het verhaal stond er lang geleden in Thailand een enorm Boeddhabeeld, gemaakt van puur goud. Toen een leger het gebied dreigde binnen te vallen, besloten monniken het beeld te beschermen door het volledig met klei te bedekken..
Tijdens de aanval werden de monniken gedood. Hun geheim verdween met hen. Honderden jaren keek iedereen naar een eenvoudig beeld van klei. Niemand vermoedde welke schat daaronder verborgen zat.
Tot het beeld op een dag verplaatst moest worden. Tijdens de verplaatsing ontstond er een scheur in de kleilaag. Een monnik werd nieuwsgierig en besloot verder te kijken.
Onder de klei ontdekte hij iets bijzonders. Goud.
Al die tijd was het goud aanwezig geweest. Verborgen onder een dikke beschermlaag. Het teamlid gebruikte dit verhaal om zijn mensbeeld te beschrijven. Hij geloofde dat ieder mens een gouden kern heeft. Dat ervaringen, omstandigheden en gebeurtenissen ervoor kunnen zorgen dat mensen daar beschermende lagen omheen bouwen.
Lagen die ooit nodig waren om zichzelf te beschermen, ergens bij te horen of te overleven. En dat die buitenkant soms behoorlijk onaantrekkelijk kan worden. Terwijl daaronder nog steeds diezelfde waardevolle mens zit.
Ik keek tijdens zijn verhaal naar de andere teamleden. Het raakte hen zichtbaar. Misschien ook omdat sommigen zich realiseerden hoe moeilijk het inmiddels was geworden om op die manier naar elkaar te kijken.
Want hoe blijf je het goud in iemand zien wanneer je vooral last hebt van de klei?
Wat je ziet, is maar een deel van het verhaal
Dit verhaal verwoordt iets wat ik in mijn werk voortdurend tegenkom. We zien gedrag en verbinden daar razendsnel conclusies aan. Iemand die steeds de controle wil houden, vinden we dominant. Iemand die zich terugtrekt, noemen we ongeïnteresseerd. Iemand die overal tegenin gaat, vinden we lastig.En iemand die voortdurend bevestiging zoekt, ervaren we misschien als onzeker of vermoeiend.
Maar wat weten we eigenlijk van de ervaringen die aan dat gedrag voorafgingen? Gedrag ontstaat ergens. Vaak heeft het ooit een functie gehad. Dat maakt gedrag begrijpelijker. De verantwoordelijkheid voor de gevolgen blijft bestaan.
En dat vind ik een belangrijk onderscheid. Want ik kan begrip hebben voor de boosheid van iemand en tegelijkertijd aangeven dat de manier waarop die boosheid wordt geuit schadelijk is.
Ik kan begrijpen waarom iemand zich terugtrekt en toch uitnodigen om verantwoordelijkheid te nemen voor zijn aandeel in de samenwerking.
Mild kijken vraagt soms juist om duidelijke woorden.
Onder conflicten liggen fundamentele menselijke behoeften. We willen erbij horen. Gezien worden. Erkenning krijgen. Invloed hebben op ons eigen leven. Ons veilig voelen etc. Wanneer die behoeften onder druk komen te staan, kan dat behoorlijk veel losmaken. Afwijzing doet pijn. Onderzoek laat zien dat sociale afwijzing en lichamelijke pijn samenhangende hersenprocessen activeren.
Vanuit onze evolutionaire geschiedenis is dat begrijpelijk. Voor onze voorouders was het behoren tot een groep van groot belang om te overleven. Die behoefte aan verbinding dragen we nog steeds met ons mee.
Ik heb ook mijn eerste oordelen. Soms ontmoet ik iemand en denk ik: poeh, dat wordt een uitdaging. Iemand komt binnen met veel weerstand, een stevige mening of een houding die bij mij irritatie oproept. Vroeger had ik sneller conclusies getrokken. Inmiddels heb ik geleerd om mijn eerste oordeel niet al te serieus te nemen en verder te onderzoeken.
Ik kan niet bepalen welke kant iemand mij laat zien. Ik kan wel kiezen of ik bereid ben verder te kijken. Dat zie ik als mijn verantwoordelijkheid.
Hoeveel goud zie jij nog? Zijn we nog bereid om verder te kijken dan de buitenkant die we van elkaar kennen? Want in een conflict kan die buitenkant behoorlijk hard worden. We verzamelen bewijs voor ons eigen gelijk. We herinneren ons vooral de momenten waarop de ander ons heeft teleurgesteld. En langzaam wordt ons beeld van die persoon steeds smaller.
Tot we bijna vergeten dat er ooit ook een andere kant was. Misschien begint verandering wel met een klein scheurtje in dat beeld. 😉
